Hoe AI de hersenen van jongere generaties herinricht… wat staat er op het spel?
Dit artikel is een verkorte populaire vertaling van:
Westerbeek, H. How AI is rewiring the human brain: the generational transformation of cognition and knowing. AI & Society (2026). https://doi.org/10.1007/s00146-026-02912-2
Het menselijk brein wordt heringericht door AI, niet alleen doordat AI nieuwe informatie levert, maar doordat het de voorwaarden verandert waaronder denken, leren en oordelen plaatsvinden. Eeuwenlang vroeg kennis om inspanning: zoeken, twijfelen, onthouden, ideeën verbinden, fouten maken, herzien. Dat proces is traag en soms frustrerend, maar het vormt ons ook. Het traint aandacht, bouwt geheugen op en ontwikkelt het vermogen om met onzekerheid te leven, lang genoeg om tot begrip te komen. Wat vandaag anders is aan AI-systemen, is dat ze dat proces niet enkel ondersteunen. Ze vervangen het steeds vaker door onmiddellijke antwoorden. AI is niet langer alleen een hulpmiddel dat we gebruiken maar het wordt steeds meer de omgeving waarin we denken.
Die verschuiving voelt als vooruitgang, en in veel situaties is dat het ook. Het probleem zit in wat er gebeurt wanneer dit normaal wordt. Wanneer een systeem betrouwbaar plausibele antwoorden produceert op aanvraag, verschuift mentale arbeid ongemerkt van kennis opbouwen naar selecteren en verifiëren. Denken wordt dan niet langer het construeren van betekenis, maar het controleren of de aangeboden betekenis acceptabel is. Na verloop van tijd past het brein zich aan aan het pad van de minste weerstand. Wat het oefent, wordt wat het verkiest. Als de standaard cognitieve houding “vragen, ontvangen, doorgaan” wordt, zullen minder mensen nog regelmatig de diepere vaardigheden trainen die zelfstandig denken mogelijk maken. Vaardigheden zoals volgehouden aandacht, geheugenopbouw en het geduld om in ambiguïteit te volharden.
Dit is geen uniforme verandering. Ze is generatief. Elke generatie groeit op in een andere “kennis-ecologie”, een andere set dagelijkse omstandigheden die cognitie vormen. Babyboomers werden volwassen in een tijd van informatie schaarste, waarin leren het bezoeken van bibliotheken, lezen van lange teksten en trage gesprekken vereiste, en waarin inspanning niet optioneel was, maar ingebouwd zat in het systeem. Generatie X leefde in de overgang, bouwde eerst een analoge basis op en kreeg pas later digitale hulpmiddelen, en leerde denken zonder permanente assistentie voordat tools hun mogelijkheden begonnen te vergroten. Millennials groeiden op in een hybride wereld, met een deels offline jeugd die geleidelijk plaatsmaakte voor internet, zoekmachines en mobiele connectiviteit. Gen Z werd volwassen in een omgeving waarin algoritmen voortdurend meebepalen wat gezien en gewaardeerd wordt zoals feeds, aanbevelingen, notificaties, en altijd-aan informatiestromen. Gen Alpha groeit nu op met generatieve AI als standaard – spraakinterfaces, gepersonaliseerde content en “antwoorden op aanvraag” als de normale manier om kennis te benaderen.
Omdat het brein zich ontwikkelt via herhaling en gewoonte, doet de omgeving ertoe die we normaliseren. Een omgeving die frictie wegneemt waar niet-weten onmiddellijk wordt opgelost, waar zoeken overbodig wordt, waar inspanning wordt geminimaliseerd, kan stilletjes de trainingsbelasting verlagen op kerncapaciteiten van het denken. Het risico is niet dat jongeren minder intelligent zijn. Het risico is dat ze minder geoefend raken in de vormen van denken die essentieel blijven wanneer vragen complex zijn, wanneer de inzet moreel is, wanneer antwoorden betwist worden, en wanneer de wereld niet netjes voorspelbaar is. Diep begrip, creativiteit die verder gaat dan het gemiddelde, zelfstandig leren en het herkennen van manipulatie hangen allemaal af van cognitieve “spieren” die frictie helpt trainen.
In het hart van deze zorg zit een concept dat breder begrepen zou moeten worden en ik noem dat epistemische soevereiniteit. In gewone woorden is dat het vermogen om zelfstandig kennis te produceren en auteur te blijven van je eigen oordeel. Het gaat niet simpelweg om intelligentie. Het gaat om auteurschap. Kan iemand redeneren zonder dat een systeem het pad vooraf structureert? Kan iemand begrip opbouwen en vasthouden in het geheugen in plaats van het volledig uit te besteden? Kan iemand ambiguïteit verdragen, lang genoeg om tot een oordeel te komen dat werkelijk van henzelf is? Als AI de standaard bemiddelaar van kennis wordt, is het gevaar niet dat mensen helemaal stoppen met denken, maar dat ze het denken dat ertoe doet minder uitoefenen.
Neurowetenschap en psychologie bieden geen simpele uitspraken, en de evidentie is complex en contextafhankelijk. Toch is de brede consensus duidelijk genoeg om urgentie te rechtvaardigen die stelt dat aandacht, geheugen en zelfcontrole ontwikkelt moeten worden door gebruik en oefening. Digitale omgevingen kunnen de balans verschuiven richting snelle beloningen en zwakkere volgehouden aandacht, terwijl ze geheugen uitbesteding aanmoedigen omdat “alles ergens online staat”. Generatieve AI voegt daar nog iets aan toe: wanneer een systeem tekst, ideeën en oplossingen kan produceren, kunnen gebruikers ongemerkt in de rol van consument en editor terechtkomen in plaats van maker. Dat is niet per definitie schadelijk, maar als het de dominante manier van leren wordt, verandert het wat het brein herhaaldelijk oefent, en dus ook waar het goed in wordt.
Daarom kan dit debat niet worden teruggebracht tot technologie alleen. De vraag is evenzeer filosofisch als praktisch… wat voor mensen vormen we wanneer kennis wordt behandeld als een onmiddellijk leverbaar product, in plaats van als een capaciteit die je over een langere tijdspanne ontwikkelt? Denkers als Rousseau, Heidegger en Postman helpen te benoemen wat er op het spel staat. Rousseau’s aandacht voor het geweten herinnert ons eraan dat moreel oordeel groeit door reflectie en oefening. Als systemen te vroeg antwoorden en kant-en-klare “oordelen” leveren, oefenen mensen hun eigen oordeel minder. Heidegger waarschuwde dat technologie de wereld kan “kaderen” als iets dat vooral beschikbaar, optimaliseerbaar en bruikbaar is waardoor alles een hulpbron wordt, inclusief aandacht en kennis, en uiteindelijk mensen zelf. Postman’s kritiek op technopoly beschreef samenlevingen die technologie als hoogste autoriteit gaan behandelen, en waarheid verwarren met wat systemen kunnen genereren, rangschikken en opschalen. In alledaagse termen is de angst eenvoudig: als AI de standaardautoriteit wordt voor wat als kennis geldt, kunnen menselijke wijsheid – context, twijfel, morele nuance – naar de achtergrond verdwijnen als inefficiënt.
Een gevolg kan een toekomst zijn met een epistemische tweedeling: twee soorten denkers. Aan de ene kant staan mensen die nog kunnen “worstelen om te weten”, die begrip kunnen opbouwen, aandacht kunnen vasthouden, kunnen onthouden, redeneren en onafhankelijk oordelen. Aan de andere kant staan mensen die vooral via systemen denken… snel en competent in veel taken, maar steeds afhankelijker van externe cognitie. Die kloof is niet alleen academisch maar zal ook bepalen wie complexiteit aankan op de werkvloer, wie verantwoord kan leiden, en wie manipulatie kan weerstaan. Het zal ook bepalen wie echt nieuwe ideeën kan creëren in plaats van te hercombineren wat een systeem het meest waarschijnlijk acht.
Niets van dit alles leidt tot de zinnige conclusie dat “AI weg moet”. De opgave is niet om AI te verwijderen, maar om AI wijs te gebruiken. De uitdaging is ontwerp. Als AI frictie uit het denken haalt, dan moeten onderwijs, gezinnen, organisaties en beleidsmakers bewust een deel van die frictie terugontwerpen op de plekken waar het er het meest toe doet. Dat betekent leer-ritmes bouwen waarin mensen eerst zelf denken en pas daarna tools raadplegen. Het betekent proces even belangrijk maken als output, en redenering, herziening en reflectie belonen in plaats van alleen snelheid. Het betekent het verschil leren tussen weten en ophalen. Weten is kunnen uitleggen, toepassen, verbinden en bekritiseren en ophalen is kunnen opzoeken of laten genereren. Het betekent AI behandelen als sparringpartner in plaats van substituut dus vragen welke aannames achter een antwoord zitten, welke tegenargumenten bestaan, welk bewijs ontbreekt, en hoe je het idee in eigen woorden aan iemand anders zou uitleggen.
Voor kinderen en adolescenten is extra zorg nodig. Niet alleen via restricties, maar via het ontwerpen van gewoonten die cognitieve kracht opbouwen. Schermvrije blokken. Lezen en schrijven zonder hulp. Spel en leren die niet meteen oplossingsgericht zijn. Concentratie oefenen via muziek, sport, lange teksten en langdurige projecten. Dit zijn geen nostalgische voorkeuren. Het zijn vormen van cognitieve training, en ze worden belangrijker, niet minder, in een wereld waarin antwoorden goedkoop en moeiteloos zijn.
De belangrijkste zin om vast te houden is deze… Als AI frictie uit het denken haalt, moeten wij kiezen waar we die frictie bewust terugplaatsen. Anders riskeren we niet het verlies van intelligentie, maar het verlies van auteurschap over ons eigen denken.

